print
interview

De Zwolse wethouder Nelleke Vedelaar hecht er sterk aan dat dagbesteding voor ouderen een algemene voorziening is, zodat iedereen daar gebruik van kan maken, waar en zo vaak mensen maar willen. 

Nelleke Vedelaar
Wethouder te Zwolle
21 juni 2016

‘Er zijn veel aanbieders van dagbesteding in Zwolle. Dagbesteding was altijd een individuele voorziening. Soms werd deze gefinancierd via een persoonsgebonden budget, soms via zorg in natura. Omdat we de dagbesteding graag laagdrempelig wilden maken, dachten we in Zwolle: waarom maken we er niet gewoon een algemene voorziening van? Mensen die dagbesteding nodig hebben kunnen dan de hele rits langs indicaties en toekenningen overslaan, en kunnen zich direct melden bij een aanbieder van dagbesteding. Het resultaat is een systeem waarin het niet uitmaakt of iemand een persoonsgebonden budget heeft, of zorg in natura ontvangt. En het maakt ook niet uit of iemand één, of meerdere dagen dagbesteding heeft. Dat moet allemaal kunnen.

Het is een hele puzzel om ervoor te zorgen dat mensen de dagbesteding krijgen die bij ze past, waarin het beste uit de mens wordt gehaald, en waarbij iemand ook vooral met rust gelaten wordt als dat nodig is. Want elke keer als er wordt gezegd dat mensen mee moeten doen, al is het dan naar eigen vermogen mee doen, vergeten we dat sommige mensen dit niet kunnen. Naar eigen vermogen is soms ook om met rust gelaten te worden, stabilisatie.

Omdat de dagbesteding in Zwolle een algemene voorziening is, mag iedereen die dagbesteding wil daar ook gebruik van maken. In de instelling waar iemand die dagbesteding wil gaan ontvangen zich meldt, wordt uiteraard wel een gesprek gevoerd over wensen en mogelijkheden. Sinds dagbesteding een algemene voorziening is, zien we ook een toename van de vraag naar dagbesteding. Maar ik geloof dat je geen misbruik kunt maken van deze regeling. We zien namelijk niet dat mensen die gezond zijn of eigenlijk niets mankeren opeens dagbesteding afnemen.

Ik geloof ook niet dat iemand misbruik kan maken van het afnemen van maximale dagbesteding. Niemand wil meer naar de dagbesteding dan nodig is. Sommige mensen vinden het leuk om naar de dagbesteding te gaan, net zoals ik het leuk vind om naar mijn werk te gaan. Stel je nou voor dat iemand voor mij gaat bepalen dat ik maar 3 dagen per week mag werken, terwijl ik het erg leuk vind om te werken en daar ook toe in staat ben. Dat kan toch niet? Zo kijk ik ook naar de dagbesteding. We moeten daarbij wel toe naar goedkopere en laagdrempelige vormen van dagbesteding. Bijvoorbeeld zoals bij Wijz, een welzijnsorganisatie die veel gebruik maakt van vrijwilligers. Zij hebben een heel diverse en activerende vorm van dagbesteding ontwikkeld, zoals samen de krant doornemen.

Wij stimuleren mensen om bij meerdere aanbieders dagbesteding af te nemen. In het systeem dat we hebben opgezet bieden we cliënten de mogelijkheid om in overleg met de dagbesteding van aanbieder over te stappen. Om de drie maanden komt er op gemeentelijk niveau een tussenstand van aantallen mensen dat dagbesteding krijgt, waarna het geld van de ene aanbieder naar de andere aanbieder verschuift. Zo kunnen aanbieders schommelingen in de tussentijd opgevangen. En dat werkt prima. Helaas zien we nog geen mensen die hierdoor op meerdere plekken dagbesteding afnemen. We zien vooral dagbestedingsaanbieders die graag de mensen willen behouden die ze binnen hebben. De concurrentie tussen instellingen bestaat daardoor nog steeds, terwijl we juist graag zouden zien dat er een samenwerkingsmodel ontstaat, een coöperatie. Daar hebben we nog wel een slag te slaan.

Een samenwerkingsmodel zou ook voor het vervoer richting de dagbesteding een stuk efficiënter zijn. Vervoer wordt in Zwolle door de aanbieders zelf georganiseerd, dat zit in de tarieven die de aanbieders van ons krijgen voor dagbesteding. Sommigen laten taxi-vervoer komen, waarbij de cliënt een kilometervergoeding van de aanbieder ontvangt. Sommige aanbieders hebben een eigen bus aangeschaft. Zwolle is als middelgrote stad eigenlijk een plattelandsomgeving, waarbij alle gemeenten werken met de regiobus van de provincie. Maar met dit type vervoer wordt gestopt. Wij hebben als gemeente ons eigen Wmo-vervoer, maar dat is in Zwolle dus niet bedoeld voor vervoer van en naar de dagbesteding van ouderen. Naast het Wmo-vervoer heeft Zwolle leerlingenvervoer en sociale werkvoorziening-vervoer.  Het doelgroepenvervoer is dus niet efficiënt ingericht. Daar mogen we wel vooruitstrevender in zijn. We willen kijken of we een model kunnen ontwikkelen, waarbij alle verschillende vormen van vervoer gekoppeld zijn. Een vervoerscentrale die kijkt naar de vervoersstromen. Het maakt dan niet uit of dat leerlingenvervoer is, of Wmo-vervoer, of vervoer naar dagbesteding voor ouderen.

Huishoudelijke hulp

We hadden in Zwolle structureel € 5 miljoen gespaard om de maatschappelijke effecten van decentralisaties op te kunnen vangen. Gelukkig waren we daartoe in staat, maar dat heeft destijds wel scherpe keuzes van ons gevraagd. Het betekent ook dat we nu iets minder snel en hard in onze bezuinigingen zijn. Bij hulp in het huishouden bijvoorbeeld. Daar zeggen we steeds: ‘We doen wat nodig is’. Er stond nog een bezuinigingsopgave, maar die heb ik geschrapt. Want je kunt immers niet minder doen dan nodig is.

In Zwolle maken we voor de huishoudelijke hulp gebruik van trajectfinanciering. De berekening voor dit traject is gebaseerd op een gemiddelde van 2,5 uur huishoudelijk hulp per week per gezin. We hebben afgesproken met de organisaties die huishoudelijke hulp leveren dat ze aan de bel trekken wanneer de organisatie ziet dat er grote tekorten dreigen, omdat ze doen wat nodig is. Hulp in het huishouden is, daar ben ik van overtuigd, één van de goedkoopste vormen van ondersteuning, die het mensen mogelijk maakt om zo lang mogelijk thuis te kunnen blijven wonen. Het is algemeen breed gedragen in onze organisatie en in de stad, dat deze lichtste vorm van zorg breed ingezet moet worden om ervoor te zorgen dat mensen zo lang mogelijk onderdeel zijn van de inclusieve samenleving.

De kwaliteit van de zorg is belangrijk, niet de prijs van de zorg. Ik denk dat de prijs van zorg omlaag gaat, als de kwaliteit maar voorop gezet wordt. Een aanbieder uit Kampen heeft in Zwolle bijvoorbeeld alle medewerkers van TSN thuiszorg overgenomen toen deze organisatie failliet ging, met behoud van salaris, dienstjaren, cao en inclusief de langdurig zieken. Zonder extra bijdrage. Ik was zo blij met die mogelijkheid! En dan heb ik collega’s die zeggen: ‘Zo’n aanbod is bijna te goed om waar te zijn’. Maar ik ga deze organisatie echt volgen. En dan wil ik van de andere aanbieders weten waarom zij niet hetzelfde kunnen doen.

We krijgen nu bijvoorbeeld berichten van een andere aanbieder die de huishoudelijke hulp aan het afstoten is, omdat het niet uit kan. De directeur van de aanbieder uit Kampen zegt dan: ‘Nelleke, het geld moet ook niet in al die lagen gestopt worden. Ik hoef als directeur echt niet boven de norm te verdienen, een fatsoenlijk salaris is genoeg.’ Met zo’n iemand wil ik graag samen werken.

Mensen die zorg nodig hebben zijn helemaal niet bezig met de keuze tussen partijen of aanbieders, zij zijn bezig met de route die ze gaan bewandelen om zorg te ontvangen. Dat merken we in de sociale wijkteams ook, dat mensen zeggen: ‘Help me maar, want ik heb geen idee wat ik moet doen’. Mensen die ziek of kwetsbaar zijn willen ondersteund worden, en niet belast worden met keuzes. Raadsleden bedenken dan dat een systeem moet worden opgezet, waarin alle marktpartijen beoordeeld kunnen worden. En dan denk ik: als het gaat om het uitzoeken van een hotel dan vind ik dat een prima systeem, maar niet voor de zorg. Stel dat een ongeval plaatsvindt, en iemand morgen een wijkverpleegkundige nodig heeft, dan is advies van een professional die de keuze uit handen kan nemen en de juiste zorg regelt essentieel. We zagen in Zwolle gebeuren dat aanbieders hun eigen plan trokken, en ondertussen cliënten van elkaar aan het afpakken waren. Gelukkig zijn we tegenwoordig weer tot inkeer gekomen. De mogelijkheden om integrale ondersteuning en integrale zorg te kunnen leveren worden vergroot.

Uiteindelijk moet het niet uitmaken of iemand in de ene regelgeving zit, of in de andere regelgeving. Ik wil een systeem dat voor mensen in verschillende regelingen gelijk uitpakt. Want waarom zou iemand die voor de rest van zijn leven ziek is meer moeten betalen dan iemand die tijdelijk ziek is? Dat is toch heel raar? Daarmee wordt de zwaarste last neergelegd bij de mensen die het ook het langste zwaar hebben? Dat komt niet overeen met hoe ik naar de wereld wil kijken. Het is heel eigenaardig dat de eigen bijdrage een stimulans kan zijn om onder de ene of andere regelgeving te vallen.

Wlz-Wmo puzzel

Overigens is de financiering rond de dagbesteding een lastig systeem. Wanneer iemand via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dagbesteding ontvangt, dan betaalt die persoon in alle gemeentes een eigen bijdrage. Behalve dan in die uitzonderlijke situaties waar het een algemene voorziening is geworden, zoals in Zwolle. Bij ons is de eigen bijdrage hooguit 20 euro in de maand. Dat is heel laag. Wanneer iemand gebruikmaakt van de Wet langdurige zorg (Wlz), dan gaat het eigen vermogen meetellen, waardoor iemand, ook in Zwolle, opeens veel hoger in de eigen bijdrage komt.

Wij zijn uitzonderlijk en innovatief, dachten we, met wat we bedacht hebben voor de dagbesteding. En dat is het ook, maar we zien nu ook de nadelen. Nu zien we dat de financieringsstromen juist door elkaar lopen. Wanneer een cliënt gebruikmaakt van de Wlz, dan krijgt de organisatie die de zorg aanbiedt een ander bedrag voor deze cliënt vergoed, dan wanneer een cliënt gebruikmaakt van de Wmo. We zijn echt met dit vraagstuk aan het puzzelen, zonder wéér een hele hervorming van het stelsel te veroorzaken. 

Een persoonlijk voorbeeld. Mijn vader heeft 6 jaar geleden een ernstig herseninfarct gehad, waarna mijn moeder voor hem is gaan zorgen. De instelling waar hij begeleiding kreeg, ging mijn vader steeds maar hoger indiceren, zonder overleg. Daar krijgt de instelling gewoon meer geld voor. Destijds werd de zorg nog geregeld via de AWBZ. Voor een deel ging dat over naar de Wmo, en voor een deel naar de Wlz. De tendens is om voor zo veel mogelijk mensen de hoogste indicatie te stellen, om te voorkomen dat iemand naar de Wmo zou moeten. Het ging om het zeker stellen van de financiering.

Op dat moment heb ik daar nooit over nagedacht. Ik zei tegen mijn ouders: ‘Vanaf 1 januari maakt het niet meer uit. Of het nu via een persoonsgebonden budget of zorg in natura geregeld wordt, in Zwolle maken we van de dagbesteding een algemene voorziening. Dan kun je altijd overstappen.’ Mijn vader was toen al een keer wezen proefdraaien bij de dagbesteding. Dat was bij een zorgboerderij, en dat beviel hartstikke goed.

Maar toen mijn moeder op een gegeven moment geopereerd moest worden aan haar hand, heb ik zonder haar weten een keer gebeld met de wijkverpleging. We hebben toen ontdekt dat mijn vader voor de dagbesteding in de Wmo zit, terwijl hij qua ziektebeeld echt in de Wlz hoort te zitten. Ik heb daarna het Centrum Indicatiestelling Zorg gebeld, met de vraag of er een indicatie loopt. Het CIZ zei toen: ‘Nee die is stopgezet, want hij is overgegaan naar de Wmo.’ Ik ben toen toch even openhartig geweest, en heb gezegd dat ik wethouder ben in Zwolle. Dat ik daardoor veel van de feiten ken, anders praat het zo raar. En toen zei ze nota bene: ‘Mijn advies aan u is om uw vader gewoon in de Wmo te houden, want anders gaat u straks veel meer eigen bijdrage betalen.’

Zelfs met veel kennis van zaken is het systeem ingewikkeld. Pas aan het einde van de dag wist ik wat we moesten doen. Ik probeerde het aan mijn moeder uit te leggen, maar die zei: ‘Nelleke, zeg maar gewoon wat ik moet doen.’ In dit geval dacht ik, waar is nou mijn onafhankelijke cliënten ondersteuner? Want ik had echt behoefte aan advies!

Ik denk dat in de toekomst bij ons in Zwolle de schakel tussen de zorgaanbieders en de cliënt terug ingevoerd moet worden. De sociale wijkteams kunnen daar een rol in spelen. Een cliënt kan dan een adviserend gesprek voeren met het sociale wijkteam om te kijken wat het beste bij die persoon past.

Sociale wijkteams

Toen ik in Zwolle zei dat er 100 wijkteams moesten komen, brak de paniek onder raadsleden uit, terwijl op dit moment misschien net zo veel professionals aan het werk waren in de stad. Ik vond al die kleine zelfsturende teams een mooi idee. Voor de inrichting van de sociale wijkteams hebben we gekeken naar andere steden. Wij hebben er echter voor gekozen om de dagbesteding en begeleiding buiten het sociale wijkteam te houden. We hebben nu 5 toeleveranciers van organisaties voor de sociale wijkteams. Een deel van de medewerkers uit deze teams komt van het welzijnswerk, algemeen maatschappelijk werk, jeugdzorg, de gemeente zelf, de Wmo consulent en mensen van sociale zaken. Die moeten onafhankelijk kunnen opereren. 

Die sociale wijkteams worden steeds meer een hecht team. Een heel mooi voorbeeld heb ik gezien in Berkum, een dorpje dat onderdeel uitmaakt van Zwolle. Voor de invoering van de decentralisatie en de sociale wijkteams waren hier een Wmo-consulente en een wijkverpleegkundige die zeiden: ‘Wij zijn het eerste sociale wijkteam van de stad’. Een actieve bewoner is daar samen met een heel team van jonge mensen uit het dorp de deuren langs gegaan. Daarbij zijn ze met iedereen in de wijk het gesprek aan gegaan om te vragen of ze ondersteuning nodig hebben, of ze iets voor de ander kunnen betekenen. Er was bijvoorbeeld een ouder echtpaar dat het niet meer aan kon om hun tuin te onderhouden. Het verkoopbord stond al in de voortuin. Nadat de dames waren geweest, werd er door een team van vrijwilligers bedacht dat de tuin prima door twee buurjongens verderop gedaan kon worden. En met een paar aanpassingen in het huis en ondersteuning voor het huishouden wonen ze nog steeds prettig op die plek. Het te koop bord is toen uit de tuin gehaald.

Met inzet van welzijnswerk proberen we deze aanpak ook in andere wijken te stimuleren. In de ene wijk is dat makkelijker dan in de andere, maar het idee is grandioos. En dat er mensen zijn die dit sneller bedacht hebben dan de overheid. Het sociale cement is echt super hier.

Toen mijn vader uit de revalidatie werd ontslagen omdat hij niet meer 'leerbaar' was, was het oordeel eigenlijk dat hij naar een verpleeghuis moest. Als ik nu 6 jaar later kijk naar wat hij doet, en hoe hij zich heeft ontwikkeld, is er toch heel erg veel gebeurd. Hij is nu fietsenmaker. En dan is de vraag: ‘Papa hoe was het op je werk?’ Die waarde, die  wordt weggehaald als je zegt: hij moet een beetje met rust gelaten worden, niet te veel prikkelen. Dat is juist wel nodig bij hem. Maar je hebt professionals nodig om dat in te schatten. Beleidsmatig vind ik dat we soms te makkelijk praten over mensen met een zorgvraag. Op het ene moment wordt iemand ingeschat als leerbaar, en dan weer zit iemand in een heel andere categorie.

Ik ben voor een deel gemankeerd, en tegelijkertijd heel behept mijn eigen privé ervaring. Gemankeerd, omdat ik soms bang ben om iets te veranderen. Want dan denk ik: ‘Als mijn eigen vader maar niet van dat plekje af gaat’. Dat doet mij realiseren dat iedereen in die situatie angst heeft voor verandering. Dus aan de andere kant ben ik behept, omdat ik weet hoe belangrijk bepaalde ontwikkelingen zijn, en hoe waardevol dat in het leven is. Niet alleen van zorgvragers, maar ook van mantelzorgers.'

Interview gehouden op 24 maart 2016 door Annemarieke Nierop en Tessa Roedema
Foto: Joop van Putten